Is het mogelijk om te veel vast te leggen in de gemeentelijke verordening? Het lijkt erop van niet. De noodzaak om begrippen uit te leggen en afwegingskaders op te nemen in de verordening staat momenteel op de voorgrond. Bij een te vage omschrijving of alleen het overnemen van het begrip uit de wet houdt een hierop gebaseerd besluit geen stand. Toch denk ik dat het ook mogelijk is om te veel in de verordening vast te leggen. De afwegingskaders mogen namelijk niet te eng worden om nog te voldoen aan de jeugdhulpplicht. In deze opinie bespreek ik de laatste uitspraak van de CRvB over het integreren van begrippen uit de Jeugdwet in de verordening en waarom ik stel dat bij te weinig beoordelingsruimte niet meer voldaan wordt aan de jeugdhulpplicht.

Regels stellen in de verordening

De gemeenteraad moet in de verordening regels stellen op bepaalde punten. Deze verplichting volgt uit artikel 2.9 Jeugdwet. Deze regels hebben onder andere betrekking op de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Na de ‘eigen kracht’-uitspraken uit mei 2024 kwam de noodzaak om begrippen in te vullen in de verordening nog meer naar voren. Mijn collega Karin Smits schreef hier al over in haar opinie ‘De gemeenteraad is aan zet! De invulling van de eigen kracht moet in de verordening’. De CRvB oordeelde dat de criteria en de afwegingsfactoren van eigen kracht in de verordening moeten staan. Bovendien werd het verwijzen naar bijvoorbeeld een richtlijn in de bijlage, de CIZ-indicatiewijzer, nadere regels of beleidsregels van het college niet voldoende geacht.

Het bepalen van een hoofdrichting

In een recente uitspraak gaat de CRvB nog eens in op de verplichting uit artikel 2.9 Jeugdwet (ECLI:NL:CRVB:2025:408). De CRvB oordeelt dat het overnemen van de begrippen uit de Jeugdwet in de verordening niet voldoende is. Daarmee krijgen de jeugdige en ouders onvoldoende rechtszekerheid, of in ieder geval te weinig duidelijkheid over de te verlenen voorzieningen. De CRvB vervolgt dat alleen door het uitleggen van de begrippen de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling duidelijk zijn. Dit geldt ook voor de afwegingsfactoren. Duidelijk moet zijn wat het voorzieningenaanbod is, welke voorwaarden er gelden voor toekenning van deze voorzieningen en waarmee bij de beoordeling rekening wordt gehouden. Dit moet in de verordening staan.

Het overnemen van begrippen uit de Jeugdwet in de verordening is niet voldoende. Dit geeft te weinig duidelijkheid over de te verlenen voorzieningen.

Is duidelijkheid het doel?

Niet alleen de jeugdige en de ouders hebben behoefte aan duidelijkheid. Ook bij de indicatiestelling door de jeugdconsulent kunnen een duidelijk afwegingskader en van te voren vastgestelde normen helpen. Maar hoe ver moet dit gaan?

Een uiterst geval van vooraf vastgestelde normen en kaders is het invullen van een frequentie. Een voorbeeld hiervan zien we terug in de Model Verordening Jeugdhulp van de VNG (3 december 2024). In artikel 11 lid 1 Vervoer van deze Model Verordening wordt een x aantal keer per week brengen en halen in ieder geval beschouwd als eigen kracht van de ouder(s). De x is door een gemeente nader te bepalen.

Uiteraard geeft dit de meeste duidelijkheid. Maar er blijft weinig ruimte over om in te spelen op de specifieke omstandigheden van een gezin.

Stel dat een gemeente 2 keer per week onder de eigen kracht laat vallen. Dit klinkt redelijk en als een tijdsinvestering die alle ouders moeten doen voor hun kind(eren). Maar wat als de noodzakelijke jeugdhulplocatie ver weg is en brengen en halen dan lang duurt? Dan kan ook 2 keer per week niet mogelijk zijn.
Of in het geval de ouders fysiek niet in staat zijn om de jeugdige te vervoeren, ook niet 1 keer naar een dichtbijgelegen locatie. Is het dan in strijd met de jeugdhulpplicht uit artikel 2.3 Jeugdwet als je daar niet op in kunt spelen?

De jeugdhulpplicht betekent maatwerk leveren

De gemeente moet een voorziening treffen waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld gezond en veilig op te groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, afhankelijk van leeftijd en ontwikkelingsniveau. Dit betekent dat de gemeente maatwerk moet kunnen leveren als er jeugdhulp nodig is in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Bij te vast omlijnde kaders kun je niet meer inspelen op de specifieke omstandigheden van een jeugdige om dit maatwerk te leveren.

‘Tenzij’ opnemen in de bepaling

Afwijken van de bepalingen uit een verordening is mogelijk via een hardheidsclausule, als deze opgenomen is. In dat geval kan er afgeweken worden als handhaven leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Maar pas toekennen via de hardheidsclausule is onnodig ingewikkeld. Voorop moet staan dat er altijd maatwerk geleverd kan worden, ook zonder hardheidsclausule. Daarom is het naar mijn mening in strijd met de jeugdhulpplicht als te strakke kaders in de verordening komen, waardoor geen maatwerk geleverd kan worden.

Ik pleit ervoor om ruimte te bieden voor uitzonderingen. In het voorbeeld hierboven zou dan bij het invullen van een frequentie een tenzij opgenomen moeten worden. Dus het brengen en halen van de jeugdige hoort 2 keer per week onder de eigen kracht, tenzij praktische of financiële problemen dit onmogelijk maken.

 

Schulinck Jeugd

Schulinck Jeugd is speciaal ontwikkeld voor gemeenten die met de Jeugdwet te maken hebben. Deze online kennisbank biedt essentiële praktijkinformatie die u eenvoudig combineert met het beleid van uw gemeente.